Momenteel hebben we binnen de organisatie een mix van 2 soorten vakantiestelsels bij contractuele medewerkers: de private vakantieregeling voor alle medewerkers in dienst voor 2018 en de publieke vakantieregeling voor alle medewerkers in dienst na 2018. Een uitgebreide toelichting werd toegevoegd via een HR-nota in bijlage.
Voorstel tot wijziging van de gemeentelijke rechtspositieregeling:
Artikel 219 §2
“Voor de statutaire personeelsleden en de contractuele personeelsleden in dienst na 1 januari 2018 geldt de vakantieregeling voor de publieke sector. Het dienstjaar dat in aanmerking genomen wordt als referentiejaar is het lopende dienstjaar.
Voor de contractuele personeelsleden, in dienst voor 1 januari 2018, geldt de vakantiereglementering conform titel III van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot uitvoering van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten. Het dienstjaar dat in aanmerking genomen wordt als referentiejaar is het jaar dat voorafgaat aan het lopende dienstjaar.
De betaalde vakantie voor de personeelsleden bestaat enerzijds uit de wettelijke vakantie van maximum 20 dagen en anderzijds max. 20 dagen betaalde aanvullende vakantie. De aanvullende vakantie wordt op dezelfde wijze berekend als het saldo van de wettelijke vakantie.”
Naar:
Artikel 219 §2
“Voor de statutaire personeelsleden en de contractuele personeelsleden in dienst na 1 januari 2018 geldt de vakantieregeling voor de publieke sector. Het dienstjaar dat in aanmerking genomen wordt als referentiejaar is het lopende dienstjaar.
Voor de contractuele personeelsleden, in dienst voor 1 januari 2018, geldt de vakantiereglementering conform titel III van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot uitvoering van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten. Het dienstjaar dat in aanmerking genomen wordt als referentiejaar is het jaar dat voorafgaat aan het lopende dienstjaar. Vanaf 1 januari 2026 geldt de vakantieregeling voor de publieke sector eveneens voor de contractuele personeelsleden, in dienst voor 1 januari 2018.
De betaalde vakantie voor de personeelsleden bestaat enerzijds uit de wettelijke vakantie van maximum 20 dagen en anderzijds max. 20 dagen betaalde aanvullende vakantie. De aanvullende vakantie wordt op dezelfde wijze berekend als het saldo van de wettelijke vakantie.”
En:
Artikel 219§4
"Wanneer het personeelslid zijn dagen betaalde vakantie niet heeft kunnen opnemen omwille van volgende redenen:
• (arbeids)ongeval en (beroeps)ziekte;
• moederschapsrust of vaderschapsverlof (omgezette moederschapsrust bij hospitalisatie of overlijden van de moeder);
• geboorte- en adoptieverlof;
• profylactisch verlof;
• verlof voor pleegzorg en pleegouderverlof.
worden de niet opgenomen wettelijke vakantiedagen (maximum 20) overgedragen en kunnen ze nog worden opgenomen tot 24 maanden na het einde van het vakantiejaar. Uiterlijk op 31 december van het oorspronkelijke vakantiejaar moet het contractuele personeelslid het vakantiegeld voor die dagen uitbetaald krijgen."
Naar:
Artikel 219§4
"Wanneer het personeelslid zijn dagen betaalde vakantie niet heeft kunnen opnemen omwille van volgende redenen:
• (arbeids)ongeval en (beroeps)ziekte;
• moederschapsrust of vaderschapsverlof (omgezette moederschapsrust bij hospitalisatie of overlijden van de moeder);
• geboorte- en adoptieverlof;
• profylactisch verlof;
• verlof voor pleegzorg en pleegouderverlof.
worden de niet opgenomen wettelijke vakantiedagen (maximum 20) overgedragen en kunnen ze nog worden opgenomen tot 24 maanden na het einde van het vakantiejaar."
De uitbetaling wordt voorzien in december 2025 en het terugverdieneffect wordt opgenomen in het meerjarenplan 2026-2031.
Artikel 1. De raad keurt de aanpassing van het huidige artikel 219§2 en 219§4 van de rechtspositieregeling voor het personeel van het lokaal bestuur Ternat volgens het voorstel opgenomen in considerans met eenparigheid van stemmen goed.
Artikel 2. Een gecoördineerde versie van de rechtspositieregeling zal opgemaakt worden en gepubliceerd op de gemeentelijke website.
Artikel 3. Er wordt opdracht gegeven het personeel van deze wijziging in kennis te stellen.
Artikel 4. Een afschrift van dit besluit wordt overgemaakt aan de algemene directeur, de dienst Financiën, de dienst Personeel en de provinciegouverneur.